Dodaars
Dodaars
Frysk: Dûkerke
Engels: Little grebe
Duits: Zwergtaucher
Tachybaptus ruficollis
Uiterlijk: Deze kleinste van alle fuutachtigen in Nederland dankt zijn naam aan zijn achterkant waarop een dot witte (dons)veren prijkt, de vogel heeft maar een kleine staart. Alles aan de dodaars is compact, kort lijfje met stompe achterkant, een korte hals, een ronde kop met kleine snavel. In zomerkleed heeft de dodaars een roodbruine hals en wangen en een zwartbruine kruin en nek. Verder overwegend bruin. Een opvallende lichte vlek bij de mondhoek die in de zomer oplicht tot geelgroen en ’s winters wit is, ook het snavelpuntje is wit. Poten grijsgroen, ogen roodbruin. Verder in winterkleed valer bruin, kruin en vleugels donkerder, hals en wangen lichtbruin. Jongen zijn donkerbruin met vage lichtbruine strepen en een opvallend licht gekleurd snaveltje.
De dodaars ruit alle veren in één keer, waardoor er drie tot vier weken niet gevlogen kan worden.
Grootte: Tussen 26 en 29 cm, nog kleiner dan een waterhoen (reidhintsje).
Habitat: De dodaars is als broedvogel te vinden in kleine vennen en plassen, meertjes, moerassen en sloten met veel oever- en waterplanten. Tussen deze planten leeft de dodaars een verborgen leven, alleen of in paren. Ze zijn erg schuw en duiken bij de minste alarmering onder om een heel eind verder als een periscoop van een duikboot (alleen kop tot aan de ogen) even boven het water uit te komen. ’s Winters meer te vinden langs de randen van grotere wateren die ijsvrij blijven, in koude winters in groepjes in ijsvrije havens.
Voorkomen: Verspreid over het hele land zo’n 2000 broedparen. Meestal standvogels, vogels uit Noordoosten verblijven als wintergast vooral in de brakke wateren van het Zeeuwse deltagebied. In Fryslân in de winter vooral te zien in het Lauwersmeergebied en langs de Ijsselmeerkust.
Nest: Man en vrouw bouwen samen een drijvend nest van (rottende) plantdelen, dat verankerd wordt aan onderwaterplanten. Het nest ligt goed verscholen tussen de oeverbeplanting.
Voortplanting: Waarschijnlijk zijn dodaars elkaar een leven lang trouw. Tijdens balts zet het mannetje zijn veren op, pikt met zijn snavel in het water en spettert met zijn poten water omhoog. Van april tot augustus zijn er 1 of 2, soms wel 3 legsels met elk tussen de 1 tot 8 eieren, meestal 4 tot 6. Eieren zijn na het leggen wit, maar nemen de bruine kleur van de rottende plantendelen aan. Man en vrouw broeden om beurten, zo’n drie weken lang. Jongen verlaten het nest al snel en worden door beide ouders gevoerd. Kuikens zijn na circa 45 dagen vliegvlug. Jongen kruipen bij onraad en vermoeidheid bij de ouders op de rug.
Geluid: Balts- en territoriumroep: luid hinnikend biebiebiebie, ook in duet. Verder ook fluit- en pieptonen.
Voedsel: Onderwaterdieren als insecten en larven, schaaldiertjes en kleine visjes (tot maximaal 7 cm). Dodaars eten veertjes om braakballen te vormen, waarmee visgraat en schelpresten kunnen worden uitgebraakt.
Familie: Futen (Podicipedidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto: Gerke Visser