Tapuit

Tapuit

Frysk: Heidehipper

Engels: Northern Wheatear

Duits: Steinschmätzer

Oenanthe oenanthe

Uiterlijk: De tapuit is een middelgrote zangvogel met in ieder kleed een kenmerkende staart. Doordat de zwarte staart witte zijstukken heeft, is er in vlucht goed een omgekeerde T te zien. Het mannetje heeft in het voorjaar zijn broedkleed met een grijze rug en pet, zwarte vleugels en oogstreep, keel is beige tot geel, overgaand naar een lichte/witte buik. Vrouwtje en mannetje buiten broedseizoen met (grijs)bruine rug en pet, bruine vleugels en dunne zwarte oogstreep. Keel is beige overgaand naar lichte buik. In alle kleden een witte stuit en een witte wenkbrauwstreep tussen oogstreep en pet. Zwarte, vrij lange poten en dunne zwarte snavel.

Grootte: Zowel man als vrouw zijn 14-16 ½ cm groot. Dit is iets forser dan een koolmees.

Habitat: De tapuit voelt zich thuis in zandige en stenige omgevingen. Het is van oorsprong een vogel van  duinen, zandverstuivingen en schrale heidevelden, maar broedt ook op akkers met stenen muurtjes en op rotsige berghelling in Zuid-Europa. Het terrein moet open zijn, met hier en daar halfhoge begroeiing.

Voorkomen: Van april tot juni als broedvogel, maar steeds schaarser. Trekvogel die overwintert in Afrika, de trekkers vanuit Scandinavië en Groenland zijn bij ons te zien in april/mei en van augustus tot oktober. De tapuit is de recordhouder onder de zangvogels als het om trekafstand gaat. Waren er in Nederland rond 1900 nog enkele duizenden broedparen, op dit moment zijn dat er nog zo’n 250. Een van de laatste plaatsen waar de tapuit standhoudt is het Aekingerzand bij Appelscha. Bedreigingen zijn vooral het dichtgroeien van de duingebieden (door een teveel aan stikstoffen in de atmosfeer) en de afname van insecten. In Nederland is bovendien duidelijk te merken dat een achteruitgang in de konijnenstand effect heeft op de stand van de tapuit.

Nest: De tapuit broedt in holtes, in Nederland bij voorkeur in konijnenholen. In Scandinavië ook onder dichte, maar lage begroeiing. In de bergen in holtes in de rotsen.

Voortplanting: 1 tot 2 broedsels van april tot juni, per legsel zo'n 4 tot 6 lichtblauwe eieren. Broedduur: 12-14 dagen. De jongen zitten zo'n 13-15 dagen op het nest.

Geluid: Alarmroep: korte ‘tsjek’. Zang: kort en krassend, nu en dan imiterend, met hoge fluittonen.

Voedsel: Insecten als kevers, rupsen en sprinkhanen en spinnen. De tapuit foerageert lopend door de korte begroeiing.

Familie: Vliegenvangers (Muscicapidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra