Gekraagde roodstaart
Gekraagde roodstaart
Frysk: readsturtsje
Engels: common redstart
Duits: Gartenrotschwarz
Phoenicurus phoenicurus
Uiterlijk: De gekraagde roodstaart is een slanke vogel met een oranjerode staart. Bij het mannetje zijn naast de staart ook zijn stuit en borst oranjerood. Zijn voorhoofd is wit en de bovendelen zijn leigrijs. Keel en gezicht zijn zwart. Het vrouwtje is een minder opvallende verschijning, zij is vooral grijsbruin, alleen haar staart is roodbruin.
Grootte: Zowel man als vrouw zijn ongeveer 14 cm groot.
Habitat: De gekraagde roodstaart heeft een sterke voorkeur voor een parkachtig landschap. Open plekken, oude bomen, graslanden of heide moeten elkaar afwisselen. Ook in kleinschalig boerenland met oude, lommerrijke erven voelen ze zich thuis.
Voorkomen: Van april tot september algemene broedvogel in zuidoosten van Fryslân, richting noordwesten steeds zeldzamer. Vooral de oude houtwallen en elzensingels in de Noardelike Fryske Wâlden zijn in trek als broedgebied voor deze vogels. Trekvogel die overwintert in de Sahelregio.
Habitat: De gekraagde roodstaart heeft een sterke voorkeur voor een parkachtig landschap. Open plekken, oude bomen, graslanden of heide moeten elkaar afwisselen. Ook in kleinschalig boerenland met oude, lommerrijke erven voelen ze zich thuis. In Fryslân zijn vooral de oude houtwallen en elzensingels in de Noardelike Fryske Wâlden ideaal broedgebied voor deze vogels.
Nest: Het zijn holenbroeders, die ook wel van nestkasten gebruik maken. Ze zitten vaak niet hoog, slechts enkele meters boven de grond, soms ook in de grond. Daarbij hebben ze een voorkeur voor holen/kasten met een ruime invliegopening. Staande in de opening met zijn vleugels uitgespreid probeert het mannetje het vrouwtje met zang te lokken. De binnenmaten van een nestkast moeten ongeveer 12x12x25 cm bedragen.
Voortplanting: Twee broedsels in mei, juni en juli, per legsel zo'n 6 tot 7 lichtblauwe eieren. Broedduur: 12-14 dagen. De jongen zitten zo'n 13-15 dagen op het nest.
Geluid: Roep: ‘hoewiet’, gevolgd door ‘tiek-tak’. Zang: Kenmerkende start met een aantal ie tonen, gevolgd door een zachte triller.
Voedsel: Vooral insecten, in herfst ook bessen. Zoekt vooral naar voedsel op de grond, vanaf een zitplaats. Kan ook net als vliegenvanger vliegende insecten vangen.
Familie: Vliegenvangers (muscicapidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto: Jappie Seinstra