Kerkuil

Kerkuil

Frysk: Goudûle
Engels: Western barn owl
Duits: Schleiereule
Tyto alba

Uiterlijk: De kerkuil is vrij eenvoudig van andere uilen te onderscheiden, de uil behoort dan ook tot een andere familie dan de andere uilensoorten. Het is een lichtgekleurde uil met een hartvormig, wit gezicht omzoomd met een goudkleurige rand. De rug is goud- tot roestkleurig met zwart-witte druppelvlekken die vanaf de kop naar onderen toe steeds groter worden. De bovenkant van de vleugels en staart vertonen afwisselend grijze en roestbruine dwarsbanden. De onderkant van vleugels, borst en buik is beige tot wit met grijze stippen. De kerkuil heeft opvallende zwarte ogen en een lichtgekleurde snavel. De poten zijn tot aan de klauwen bedekt met korte witte veertjes. 

Grootte: Tussen 32-40 cm; spanwijdte 82-99 cm. Het vrouwtje is groter en zwaarder dan het mannetje.

Habitat: De kerkuil leeft overal waar (half)open cultuurlandschappen zijn. De uil komt minder voor in te ingesloten (bosrijk) of te open (grootschalig) terreinen. 

Voorkomen: De kerkuil komt in grote delen van Europa voor, behalve in de bergen, Denemarken vormt de noordelijke grens. Tot de jaren 60 van de vorige eeuw ging het prima met de kerkuil. Er waren naar schatting 1800-3500 broedparen in ons land. Door het gebruik van landbouwgif en het sluiten van nestgelegenheden in kerken en boerderijen daalden de aantallen naar zo’n 100 broedparen in 1979. Door het vele werk van vrijwilligers die de uilen ringen en nestkasten plaatsen, is de vogel er weer bovenop gekomen. In Nederland schommelen de aantallen de laatste jaren tussen 1500 en 3000 broedparen. 

Nest: De kerkuil dankt zijn naam aan een voorkeur voor broedplaatsen in kerken (en boerderijen). Op dit moment broeden de meeste kerkuilen in kunstmatige nesten die speciaal voor de kerkuil zijn ontworpen en in boerderijen worden geplaatst. Deze uil is dus duidelijk een cultuurvolger, maar broedt in Zuid-Europa en Schotland ook in holtes in rotsen en in Engeland ook in boomholtes.

Voortplanting: Kerkuilen zijn erg trouw aan hun broedplaats en daarmee aan hun partner. Valt een van de partners weg, dan wordt zijn of haar plaats al snel ingenomen door een andere uil. De vogels broeden vanaf vroeg in het voorjaar tot laat in het najaar, er zijn ook gevallen bekend van broedende uilen in de winter. Gemiddeld worden er 4 tot 7 witte eieren gelegd, waar zo’n 30 dagen op gebroed wordt. Het vrouwtje begint direct na de leg van het eerste ei te broeden, er komt dan om de andere dag nog een ei bij. De kuikens komen daardoor niet tegelijkertijd uit, de jongste kuikens verliezen meestal de strijd om het voedsel en overleven daardoor vaak niet. Na ruim 60 dagen vliegen de jongen uit.

Geluid: De baltsroep is een schelle, doordringende kreet die het mannetje in vlucht slaakt. De jongen blazen vaak en kort om te bedelen om eten. Blazen ze lang aan een stuk door dan dreigt er gevaar.

Voedsel: Een kerkuil jaagt voornamelijk op muizen, verder worden ook vogels, amfibieën en ongewervelden gegeten. De muizen kennen een cyclus van drie tot vijf jaar met pieken en dalen in aantallen. Omdat het dieet van de uilen voor 95% uit muizen bestaat, zijn goede muizenjaren ook goede broedjaren voor de kerkuil. De kerkuil jaagt ’s nachts, meestal door langzaam op een hoogte van 1-3 meter een vaste route te vliegen. Is er een prooi gespot dan kan de kerkuil een tijdje biddend in de lucht blijven hangen of zelfs achteruit vliegen! ’s Winters zit de kerkuil vaak op een paaltje of laaghangende tak, pas als er een prooi gezien of gehoord is, komt de kerkuil dan in beweging, dit bespaart energie.

Familie: kerkuilen (Tytonidae)

* meer informatie over het werk van de Werkgroep Kerkuilen Friesland is hier te vinden* 

Tekst: Inge van der Zee, foto: Herman Postma