Lepelaar
Lepelaar
Frysk: Leppelbek
Engels: Eurasian spoonbill
Duits: Löffler
Platalea leucorodia
Uiterlijk: Een flinke witte vogel met zwarte poten en een opvallend platte, zwarte snavel met een geeloranje vlek op het uiteinde. Dit uiteinde is breder dan de basis, waardoor een spatelvorm ontstaat. In broedkleed een bruingele borstband en een lange, afhangende, witte kuif. Doordat in deze periode de veren onder de keel ontbreken, is een oranje keelvlek te zien. Juvenielen hebben grijze poten en snavel en zwarte vleugeluiteinden. Ze zijn alleen te verwarren met zilverreigers (van veraf). Ze vliegen met gestrekte hals, terwijl reigers met de hals in een S vliegen. Het staand silhouet van lepelaar is meer gedrongen, de zilverreigers staan rechterop. Tot slot is het wit van de zilverreigers helderder.
Grootte: Tussen 80 en 90 cm, spanwijdte 115-135 cm.
Habitat: De lepelaar heeft een voorkeur voor dynamische, natte milieus. Overgangen van zout en zoet zijn favoriet, maar ook zoete milieus waar de waterstand schommelt zijn aantrekkelijk.
Voorkomen: In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren er, vooral door het droogleggen van moerasgebieden, nog maar zo’n 150 broedparen in Nederland. Op dit moment broeden er meer dan 2500 broedparen in ons land en dit succes heeft gezorgd voor uitbreiding naar Engeland, Duitsland en zelfs Denemarken. In Nederland broedt de lepelaar vooral in het Waddengebied en in de Zeeuwse delta. Ook langs de IJsselmeerkust en bij rivierdelta’s zijn kolonies ontstaan. In Fryslân is de soort tegenwoordig geen zeldzaamheid meer. Vooral langs de IJsselmeerkust en in het Lauwersmeergebied zijn in augustus en september grote groepen lepelaars te zien. De westerse ondersoort van de lepelaar doet het goed, maar de oosterse ondersoorten, verspreid van Oost-Europa tot in Japan en Australië, worden wel bedreigd. De Nederlandse lepelaars trekken in september-oktober weg naar het zuiden. De ene helft blijft hangen in de kuststreken van Frankrijk, Spanje en Portugal. De andere helft trekt door naar de kust van West-Afrika, waarbij vooral Mauritanië en Senegal populair zijn. De trek verloopt met veel tussenstops en kan tot wel twee maanden in beslag nemen. In februari komen de vogels weer terug.
Nest: De lepelaar broedt in kolonies, bij voorkeur tussen andere koloniebroeders als meeuwen en reigers. Van riet en takken worden nesten gebouwd op de grond, tussen riet en andere waterplanten. Op het vaste land is, door toenemende predatie van met name de vos, een verschuiving te zien naar broeden in bomen en struiken, zoals reigerachtigen doen. Kolonies die gevormd zijn op de kwelders van met name de Waddeneilanden zijn kwetsbaar voor overstromingen, die alle eieren en kuikens in een keer kunnen wegspoelen. De zeespiegelstijging als gevolg van de klimaatverandering vormt een bedreiging voor deze kolonies, doordat er steeds vaker overstromingen tijdens het broedseizoen zijn.
Voortplanting: De vogels binnen een kolonie stemmen de broedtijd op elkaar af, zodat alle eieren vrijwel tegelijk uitkomen. Er is per paar één legsel per jaar met 3 tot 4 dofwitte eieren met vaalbruine vlekken. De broedtijd is zo’n 25 dagen. De jongen zijn pas na zeven weken vliegvlug. Meestal redt maar één jong per nest het. Na het uitvliegen zorgen de beide ouders nog zo’n week of tien voor het jong. Tijdens de trek sterft meer dan de helft van de jongen door jacht of uitputting.
Geluid: Een rustige vogel die meestal zwijgt, alleen in de broedkolonies hoor je soms geklepper of een knorrend geluid. Jonge vogels bedelen met een hoge, raspende bedelroep.
Voedsel: Kleine waterdieren als garnalen en stekelbaarsjes. De lepelaar loopt, met de snavel zijdelings door het water trekkend, langzaam door ondiep water. De snavel is een bijzonder gevoelig tastorgaan. De prooi wordt gepakt, opgeworpen, opgevangen en vervolgens in een keer doorgeslikt.
Familie: Ibissen en lepelaars (Threskiornithidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra