Fazant

Fazant

Frysk: Fazant
Engels: Common pheasant
Duits: Fasan
Phasianus colchicus

Uiterlijk: Hoenderachtige waarvan het mannetje een veelkleurig verenpak heeft. Doordat de in Nederland voorkomende fazanten eigenlijk een mengeling zijn - ontstaan uit vier verschillende ondersoorten - kunnen de kleuren per haan behoorlijk verschillen. De Fryske fazanten hebben meestal een kastanjekleurig verenpak met op rug en borst lichte en donkere vlekken. Verder hebben ze een witte ring rond de hals en de kop is iriserend donkergroenblauw. Het gezicht en de ‘lellen’ zijn naakt en daardoor knalrood. Bovenop de kop zit vaak een korte, grijsgroene kam. Kenmerkend zijn ook de lange, lichtbruine staartveren met overdwars donkere strepen. De vrouwtjes hebben een bruin gevlekt verenpak dat ze goede camouflage geeft tijdens het broeden. De staart van de vrouwtjes is lang voor hoenderachtigen, maar meet toch maar de helft van de mannelijke staart.

Grootte: Mannetjes 75-90 cm, waarvan zo’n 40 cm staart. Vrouwtjes 50-60 cm, waarvan zo’n 20 cm staart.

Habitat: Voorkeur voor akkergebieden, maar ook te vinden in graslanden met voldoende dekking en water. Niet te vinden in stedelijk gebied en te dichte bossen. Houden van terreinen met hoogteverschillen zoals duinen en rivierdijkjes. Overnachten doen ze bij voorkeur in bomen of struiken (roesten).

Voorkomen: Oorspronkelijk komt de fazant voor in Oost-Europa, maar tot 1993 werden verschillende ondersoorten van de fazant in Nederland (en verder in West-Europa) massaal uitgezet, bijvoorbeeld op de Veluwe. Het uitzetten is nu verboden, waardoor de aantallen niet meer kunstmatig hoog worden gehouden. De aantallen lopen terug naar rond de 25.000 broedparen in 2020. Vooral op de kleigronden van Zuidwest- en Noordoost-Nederland komen nog flinke aantallen fazanten voor. Fazanten zijn standvogels die zich in de winter verzamelen tot wat grotere groepen in voedselrijke gebieden.

Nest: De fazant is een grondbroeder. Het vrouwtje maakt een goed verscholen nest onder een struik of in een plantenpol van ongeveer 7 cm diep en bijna 20 cm in doorsnede.

Voortplanting: Het broedseizoen begint in maart met de balts van de hanen, waarbij ze een territorium afbakenen. Iedere haan krijgt een eigen harem van een aantal hennen, deze hennen herkennen de haan aan zijn roep. Na het aanbieden van voedsel aan de hen en het opvoeren van een baltsdans, paren haan en hen. Eind april worden de eerste eieren gelegd. Een nest kan tot 14 eieren bevatten. De hennen broeden alleen gedurende 22 tot 27 dagen. Bij verlies van het legsel kan een tweede poging worden gedaan. De jongen verlaten direct na uitkomst het nest en zoeken zelf voedsel. Al na enkele dagen kunnen ze stukjes vliegen.

Geluid: De haan maakt een klokkend, of schreeuwend geluid, tijdens de balts sist hij. Haan en hen maken ook kipachtige geluidjes.

Voedsel: Fazanten in Nederland zijn alleseters. Ze eten slakken, wormen en insecten en plantaardig voedsel als landbouwgewassen en bessen. In de oorspronkelijke leefgebieden zijn het vooral planteneters.

Familie: Fazanten (Phasianidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto: Henk Postma