Putter
Putter
Frysk: Distelfink
Engels: European Goldfinch
Duits: Stieglitz
Carduelis carduelis
De putter dankt zijn naam aan het feit dat het als kooivogeltje trucjes aan kan leren. Een van die trucjes was het putten van water uit een voorraad buiten de kooi met een mini-emmertje aan een touwtje, waardoor de putter toch kon drinken. Vanwege de voedselvoorkeur ook wel distelvink genoemd.
Uiterlijk: Een on-Hollands gekleurde vinkachtige. Onmiskenbaar door het rode gezicht dat omzoomt is door een witte band. Kruin en achterhoofd zijn zwart, de nek wit. Vleugels zijn zwart met een gele band, deze band valt onmiddellijk op in vlucht. Verder is het vogeltje lichtbruin met een vaalwitte buik. De staart is zwarte met witte vlekken en is licht gevorkt. Man en vrouw zijn moeilijk te onderscheiden, over het algemeen is het mannetje feller gekleurd, zeker in de broedperiode. Ook de grootte van het masker verschilt, loopt het masker van de snavel tot voorbij de ogen dan betreft het een mannelijk exemplaar. Bij een vrouwtje houdt het masker op halverwege de ogen. Jongen bezitten alleen de opvallende gele vleugelstreep, verder zijn ze bruin van kleur.
Grootte: Ongeveer 12 cm
Habitat: Oorspronkelijk is de putter een bewoner van bosranden, pas sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw weet de putter zich aan te passen aan cultuurlandschappen als parken en tuinen. Onmisbaar onderdeel in het leefgebied is een ruime hoeveelheid composieten (planten als distels en paardenbloemen).
Voorkomen: Steeds algemener voorkomende zangvogel, in de afgelopen 25 jaar is de Nederlandse broedpopulatie zeker vervijfvoudigd. Inmiddels ook in Fryslân een regelmatig geziene tuingast. Dit jaar (2019) lijkt een bijzonder goed jaar te zijn voor de putter.
Nest: Het vrouwtje bouwt een goed verstopt nest in struiken of bomen, niet hoger dan 10 meter. Mannetje helpt door aandragen van materiaal.
Voortplanting: Putters zijn monogame, territoriale vogels. De paartjes worden in de grotere wintergroepen gevormd en splitsen zich in april af van de rest. Er zijn meestal twee legsels per jaar met 4 tot 6 bleekblauwe eitjes met grijze stippels. Een eitje weegt slecht anderhalve gram. Het vrouwtje broedt 10 – 14 dagen. De jongen verlaten na ruim twee weken het nest, maar worden dan nog een ruime week door beide ouders gevoerd.
Geluid: Helder en gevarieerd ‘kwinkeleren’ , in groepsverband lijkend op ‘kwebbelende’ mussen, maar hoger en fijner.
Voedsel: Rijpe en onrijpe zaden, vooral van composieten. Om deze pluimzaden uit te trekken is de snavel voor een zaadeter vrij dun. Verder vooral in de winter ook zaden van els en lariks. Jongen worden eerst gevoerd met insecten, die meer eiwitten bevatten.
Familie: Vinkachtigen (fringillidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto: Wiebe Palstra