Vink

Vink

Frysk: Fink
Engels: Chaffinch
Duits: Buchfink
Fringilla coelebs

Uiterlijk: Een zangvogel ter grootte van een mus. Mannetje heeft leigrijze kruin en nek, oranjebruine wangen en borst, naar de buik toe iets lichter. Groene stuit. Boven snavel een zwarte vlek. Onmiskenbaar zijn de twee witte vleugelstrepen die zowel het mannetje als het vrouwtje hebben. In vlucht vallen ook de witte buitenste staartpennen op. Vrouwtje mist verder de tekening van het mannetje, ze is groenbruin. Jongen lijken op vrouwtje. De vink heeft een voor zaadeters typerende snavel; kort en dik.

Grootte: 14 tot 16 cm

Habitat: Overal waar bomen zijn is de vink te vinden. In tuinen, bossen, parken, agrarisch gebied. 

Voorkomen: Zeer algemene soort. Schattingen van de Nederlandse broedvogels lopen uiteen van 400.000 tot 700.000. Vinken in Nederland zijn merendeels standvogels, in voor- en najaar trekken jaarlijks zeer veel vinken vanuit Noord-Europa door naar Zuid-Europa en Afrika. Aantallen zijn per jaar wisselend van een tot enkele miljoenen. Vinken zijn tijdens trek vaak te vinden in groepen met andere zaadetende soorten als keep, groenling en geelgors. Mannetjes en vrouwtjes trekken vaak in afzonderlijke groepen. Vinken zijn veel geziene gasten aan voedertafels.

Nest: Het vrouwtje bouwt, af en toe geholpen door mannetje een nest met fijn materiaal. Nest is moeilijk te vinden, ligt vaak diep in een struik of in de holte van een tak.

Voortplanting: Vrouwtje legt 3 tot 7 eieren, maar meestal 5. Broedt nadat laatste ei gelegd is zo’n 14 dagen, soms gevoerd door mannetje. Mannetje kan echter meerdere vrouwtjes hebben. Na uitkomst worden de jongen nog twee weken op het nest gevoerd. Na uitvliegen blijven ze nog een kleine maand bij hun moeder (en soms vader) die ze ook nog voert. Incidenteel krijgt de vink nog een tweede legsel.

Geluid: Vinken worden vanwege hun zang ook gehouden als volièrevogels. Zang bestaat uit een serie tonen, aflopend in hoogte, en is karakteristiek doordat het eindigt met de zogenoemde vinkenslag (hogere noten als slot). Alarmroep is een helder en druk, kort wiet-wiet-wiet. 

Voedsel: Zaden en zachte plantendelen als bladknoppen, vooral beukennootjes zijn populair. Jaren met veel beukennootjes leveren veel trek- en wintergasten op. In broedtijd insecten, ook jongen worden gevoerd met insecten. Die geven meer energie en zijn nodig voor de snelle groei van de jongen.

Familie:  Vinkachtigen (Fringillidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra