Brandgans
Brandgans
Frysk: Paugoes
Engels: Barnacle goose
Duits: Weiswangengans/Nonnengans
Branta leucopsis
Uiterlijk: Zeer herkenbare zwart-witte gans. De brandgans heeft een wit gezicht met een zwarte snavel en ogen. Verder een zwart achterhoofd, hals en nek, bovenkant borst, staartpunt en poten. De stuit is wit, de onderzijde wit tot lichtgrijs. Bovenzijde van de vleugels is leigrijs met zwart-witte bandering. Man en vrouw zijn vrijwel identiek, vrouw is iets kleiner.
Grootte: 55 tot 66 cm, spanwijdte ca. 110-120 cm.
Habitat: Broedt in oorspronkelijke leefgebied langs kliffen op richels. In Nederland tegenwoordig op moeilijk bereikbare eilandjes, rietkragen of moerasbossen. Overwintert vooral op graslanden, bij strenge vorst ook op akkers.
Voorkomen: Van ruwweg november tot mei overwintert een groot deel van de populatie (tot wel 800.00 exemplaren) in Nederland, verder ook in Duitsland en Denemarken. De bij ons overwinterende brandganzen broeden boven de Poolcirkel in Scandinavië en op Nova Zembla. Vooral aan de Friese IJsselmeer- en Waddenzeekust, in het Lauwersmeergebied en in Zeeland zijn jaarlijks grote aantallen te zien. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft zich in Nederland een snel groeiende populatie (in 2015 ruim 20.000) zomerganzen gevestigd, waarschijnlijk afstammend van uit gevangenschap ontsnapte dieren. De populatie vermengt zich met in Rusland en Scandinavië geringde dieren. De grootste groepen zijn te vinden tussen de grote rivieren en langs de Randmeren.
Nest: Op de grond of op een richel, bekleed met dons. Brandganzen broeden in losse kolonies, met een onderlinge afstand van één tot twee meter.
Voortplanting: Brandganzen blijven een leven lang bij dezelfde partner. Boven de Poolcirkel worden vanaf eind mei drie tot zes grijzig-wittige eieren gelegd. In Nederland tot wel een maand eerder. Het broeden duurt zo’n 25 dagen en wordt uitsluitend door het vrouwtje gedaan. Ze teert tijdens het broeden enorm in op haar vetreserves, na het uitkomen van de jongen is het daarom vooral aan het mannetje om ze te bewaken, zodat het vrouwtje weer kan ‘opvetten’. De kuikens zijn direct al goede zwemmers waardoor de opgroeigebieden een flink eind van de broedgebieden af kunnen liggen. Gezinnen met opgroeiende kuikens vormen samen grote groepen.
Geluid: Een kort gakken, als een keffend hondje.
Voedsel: Voornamelijk gras, ook mossen, twijgjes en zaden.
Familie: Eendachtigen (anatidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Herman Postma