Roodborst
Frysk: Readboarstke
Engels: Robin
Duits: Rotkelchen
Erithacus rubecula
Uiterlijk: Kleine bruine vogel met opvallende oranje borst, hals en gezicht. Buik en stuit zijn vuilwit/grijzig. Grote zwarte ogen. Zwarte, vrij spitse snavel. Man en vrouw zijn niet van elkaar te onderscheiden. Jongen zijn gevlekt in verschillende tinten bruin.
Grootte: 12-14 cm, spanwijdte 20-22 cm, gewicht ca. 20 gram.
Habitat: Komt overal voor waar bomen en struiken zijn, mijdt grote open landschappen (noordpoolgebied, bergtoppen, woestijnen en grote open cultuurlandschappen). Heeft een voorkeur voor zandgronden en voor bebossing met ondergroei. Ook volop aanwezig in (stads)tuinen met voldoende begroeiing.
Voorkomen: De roodborst heeft heel Europa en West-Azië tot woongebied. Nederlandse broedvogels trekken deels naar het zuiden weg, vaak zijn dit de vrouwtjes en jongen. Vanuit Scandinavië overwinteren veel roodborsten in Nederland. De vogels die hier blijven hebben als groot voordeel dat ze in de lente als eerste een territorium kunnen bezetten. Deze standvogels brengen gemiddeld de meeste jongen voort.
Nest: Maken een nestkom in begroeiing vlak boven of op de grond. Nestkasten voor deze soort moeten dan ook heel laag opgehangen worden.
Voortplanting: Roodborsten leven solitair en verjagen andere roodborsten hardhandig uit hun territorium. Ook vrouwen zijn zeer territoriaal. De rode borst werkt als eerste waarschuwing, maar heeft in andere gevallen juist de werking van een ‘rode lap op een stier’. Een roodborstje dat tegen een raam tikt, ziet zijn eigen spiegelbeeld als indringer en wil deze verjagen. Het is verstandig om zo’n plek tijdelijk af te dekken, omdat de vogel zich anders te veel uitput. Alleen in de broedperiode tolereren mannen een vrouwtje in hun territorium, al vergissen ze zich nog wel eens en jagen haar eerst weg. Man en vrouw delen eerst een tijdje het territorium voor ze gaan paren, maar zoeken niet gezamenlijk naar voedsel. Roodborstvrouwen leggen meestal tweemaal per jaar een legsel met 5 tot 7 eieren. Mannetje voert het vrouwtje terwijl zij broedt, bij het tweede legsel voert hij ook de jongen van het eerste legsel. De jongen krijgen pas in de herfst hun oranje kleur, daardoor wordt voorkomen dat ze te vroeg uit het territorium gezet worden.
Geluid: Zingen bij de meeste zangvogels alleen de mannen, bij de roodborst zingt ook de vrouw om haar territorium af te bakenen. Zang is helder en vlug, ‘als een watervalletje’. Roep klikkend, als twee kiezelsteentjes die snel tegen elkaar tikken.
Voedsel: Zoals aan de spitse snavel te zien is, is de roodborst een echte insecteneter, scharrelt op de grond op zoek naar insecten en ongewervelden. Komt nieuwgierig kijken of er wat te halen bij werk in de tuin. Stapt in de winter indien nodig over op zaden en bessen, maar strenge winters overleeft de vogel niet. De roodborst scharrelt ook vaak rond bij voedertafels en vooral meelwormen zijn dan in trek.
Familie: Vliegenvangers (Muscicapidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra en Herman Postma