Grote karekiet
Frysk: Reidlyster
Engels: Great reed warbler
Duits: Großer Rohrsänger
Acrocephalus arundinaceus
Uiterlijk: Grootste van de typische rietvogels met warmbruine bovendelen en roomwitte onderkant zonder opvallende kenmerken. Lichte wenkbrauwstreep boven donkere oogstreep. Forse, lijsterachtige snavel en grijze poten. De grote karekiet lijkt op de kleine karekiet, maar is zo’n vijf cm groter. Geen verschil tussen man en vrouw.
Grootte: 16-20 cm.
Habitat: Broedt in overjarig riet langs open water. Dit habitat is drastisch afgenomen door onnatuurlijk waterbeheer en versnippering.
Voorkomen: Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw zijn de aantallen van de grote karekiet in Nederland ieder jaar met 5% gedaald. Tussen 1965 en 1985 was de afname ook al 90%, waardoor er van de duizenden broedparen in 1950 nu nog minder dan 100 over zijn. In Fryslân af en toe een melding vanuit het Lauwersmeergebied en de Alde Feanen. Grootste kans om de grote karekiet in Nederland waar te nemen is in de rietkragen langs de Noordelijke Randmeren en in Nationaal Park Wieden-Weerribben. Hier broedt driekwart van de Nederlandse populatie. Ook in België is de soort vrijwel verdwenen, maar in de rest van Europa doet de soort het redelijk tot goed, in het noordelijk deel van zijn leefgebied (zuidelijk Zweden en Finland) is zelfs een toename waargenomen. Vooral talrijk in Roemenië en Wit-Rusland. Overwintert ten zuiden van de Sahara, vaak in groepen.
Nest: Diepe nestkom gevlochten van gras en rietbladeren aan enkele stevige, oude rietstengels, jong riet is niet in staat het gewicht van het relatief zware nest te dragen. Nest hangt een halve tot een hele meter boven het water.
Voortplanting: Eind april komen de eerste grote karekieten terug in Nederland. Over het algemeen is de grote karekiet monogaam, ongeveer een vijfde deel van de mannetjes heeft 2 tot 3 vrouwtjes. De eileg start tussen half mei en midden juli. Er worden vier á vijf gespikkelde eieren gelegd, de broedtijd is ongeveer twee weken en de jongen blijven circa 12 dagen in het nest. Jonge karekieten klauteren eerst enige dagen in het riet om voor ze uitvliegen.
Geluid: Een luid en vér-dragend karre-karre-kiet-kiet afgewisseld met fluittonen waarmee andere rietzangers worden geïmiteerd.
Voedsel: Insecten als libellen en juffers en larven daarvan, spinnen, kevers, langpootmuggen en vlinders. Ook kleine visjes en jonge kikkers en salamanders.
Familie: Rietzangers (acrocephalidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto