Kramsvogel

Kramsvogel

Frysk: Fjildlyster
Engels: Fieldfare
Duits: Wacholderdrossel
Turdus pilaris

Uiterlijk: De kramsvogel is een forse lijsterachtige met een karakteristieke tekening in het verenkleed. Voorhoofd, kruin, nek, rug en stuit zijn duifgrijs. Buik is wit, borst (donker)geel en beide zijn overdekt met donkere v-vormige vlekjes. Schouders en vleugels zijn bruin, vleugelpunten zijn zwart net als de staart, onderkant van de vleugels is wit. Verder heeft de vogel een dolkvormige gele snavel met zwarte punt. Vrouwtje lijkt erg op man, maar mist veelal de gele kleur op de borst en de vlekken zijn kleiner en lichter.

Grootte: Ongeveer 25 cm, spanwijdte circa 40 cm.

Habitat: Zowel in broedgebied als in overwinteringsgebieden heeft de kramsvogel een voorkeur voor een kleinschalig landschap met open plekken en voldoende hoge bomen en bosjes. Te vinden in vaak grote groepen in weilanden, duinen en parken, ook hoogstamboomgaarden zijn zeer geliefd.

Voorkomen: De westelijke populatie van de kramsvogel broedt van Noord-Scandinavië tot Polen, Zwitserland en België. Het overwinteringsgebied overlapt dit deels en beslaat West- en Zuid-Europa met uitzondering van het Middellandse Zeegebied. De oostelijke populatie broedt vooral in Siberië en verder tot in China en trekt in het najaar naar Israël, Iran en India. In Nederland kwamen vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw steeds meer broedgevallen voor, met name in Limburg. Op het hoogtepunt halverwege de tachtiger jaren werden er zo’n 800 broedgevallen geregistreerd. Sindsdien trekt de kramsvogel zich weer meer en meer terug uit Nederland. Op dit moment resten er nog ongeveer 40 broedparen. Tijdens de winterperiode is Nederland wel in trek. Ieder jaar trekken grote groepen (vaak gemengd met koperwieken) door ons land, waarbij de aantallen per jaar enorm schommelen (tussen 400.000 en anderhalf miljoen exemplaren).

Nest: De kramsvogel trekt niet alleen in groepen, maar is ook een koloniebroeder. Het vrouwtje bouwt een meestal duidelijk zichtbaar nest. Vaak hoog in bomen, maar ook in hagen, houtstapels of op de grond. Het komvormige nest, gebouwd uit gras, takken en mos, wordt aan de buitenkant verstevigd met modder, de binnenzijde wordt bekleed met grassprietjes.

Voortplanting: Start van de nestbouw is afhankelijk van hoe noordelijk de kolonie zich bevindt en varieert  van mei tot begin juli. Het vrouwtje legt vijf of zes (soms ook drie tot acht) eieren die effen kunnen zijn of gevlekt, met een blauwige basiskleur (variërend van groenig tot grijs tot helderblauw). Ze broedt ongeveer twee weken. De jongen worden door beide ouders gevoerd en vliegen na ruim twee weken uit. Eieren en kuikens worden door de kramsvogels van de kolonie heftig verdedigd tegen predatoren. De roofdieren worden bekogeld met modder en uitwerpselen, waarbij de roofvogels soms zo’n dikke laag drek op hun verenkleed krijgen dat ze niet meer kunnen vliegen.

Geluid: Zang tijdens broedseizoen is gevarieerd. Fluittonen en keelklanken worden afgewisseld met zang als van een merel. In vlucht en tijdens foerageren enkel tsjak-tsjak-tsjak.

Voedsel: Wormen en insecten, maar ook bessen en overrijp fruit.

Familie: Lijsters (Turdidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra en Herman Postma