Witte kwikstaart
Witte kwikstaart
Frysk: Boumantsje (wipsturt)
Engels: White wagtail
Duits: Bachstelze
Motacilla alba
Uiterlijk: Deze slanke zangvogel heeft een lange zwarte staart met witte randen die hij steeds op en neer laat wippen. Het mannetje is goed te herkennen aan de opvallende koptekening; zwarte kopkap en keel/borst, daartussen witte wangen en voorhoofd met een zwart oogje en snavel. Vrouw is minder scherp getekend met vaak een grijzere kopkap. Verder heeft de witte kwikstaart een grijze rug en stuit, witte buik en zwart-witte vleugelstrepen. Jonge vogels zijn vaal bruingrijs zonder de zwarte accenten. Onderscheid met vrouwtje van de rouwkwikstaart is niet altijd duidelijk. Belangrijkste onderscheidende kenmerk is de kleur op de stuit, bij de rouwkwikstaart is deze zwart, bij de witte kwikstaart effen grijs.
Grootte: Inclusief staart 16-19 cm
Habitat: Komt in broedtijd vooral voor in kleinschalige open cultuurlandschappen. Tijdens trek ook daarbuiten. Is te vinden bij vrijwel iedere boerderij, verder bij weilanden en akkers, parken en tuinen, golfbanen, industrieterreinen. Ook in natuurgebieden met stuivende duinen of schrale heide.
Voorkomen: De witte kwikstaart komt in broedtijd voor in het hele gebied van Eurazië. Op de Britse eilanden vrijwel alleen de rouwkwikstaart, die vroeger als ondersoort werd beschouwd, maar nu als aparte soort te boek staat. Nederlandse kwikstaarten trekken vanaf half september naar Marokko, via Spanje en Portugal. Vanaf eind februari keren ze weer terug. De witte kwikstaart leeft vooral alleen of in paartjes, jonge kwikstaarten kunnen zich in juli verzamelen tot grote slaapgroepen (tot enkele honderden individuen).
Nest: Nestelt in schuren, nissen, onder dakpannen en in nestkasten, maar ook wel in slootkanten en onder bruggen. Het komnestje wordt gevormd van strootjes, gras en kleine takjes en soms bekleedt met dons of wol.
Voortplanting: Vanaf half maart bezetten de mannetjes een territorium. Heeft hij een vrouwtje weten aan te trekken, dan bouwt zij na de eerste paring het nest. Ze legt vanaf begin april 4-6 blauwwitte tot gelige eieren met vlekjes. Ze broedt 12-14 dagen, na het uitkomen van de jongen duurt het nog ongeveer twee weken voor ze uitvliegen. Man en vrouw voeren samen. Na het uitvliegen worden de jongen nog bijna een week gevoerd. Gezinnen kunnen dan al grote afstanden afleggen om voedselrijke plekken te bereiken. Vaak volgt eind mei een tweede leg, soms eind juni nog een derde.
Geluid: Kan gevarieerd en langdurig zingen (meestal helder en hoog), territoriumroep tsji-liét (vloeiend) en meeste gehoorde roep is het schelle tsiek-tsiek, tsiek, tsiek-tsiek.
Voedsel: Zoekt op de grond naar insecten, loopt en sprint achter de insecten aan met korte tussenvluchtjes. Wipt daarbij steeds de staart op en neer. Vaak tussen weidend vee dat al lopend de insecten opjaagt, soms ook achter trekkers aan. Ook bij waterplassen, slootkanten en plasdrassen.
Familie: Kwikstaarten en piepers (motacillidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra, Herman Postma, Bart van 't Veer