Kemphaan
Kemphaan
Frysk: Hoants
Engels: Ruff
Duits: Halskrause
Calidris pugnax
Uiterlijk: Een middelgrote steltloper met een relatief groot lichaam met lange hals. Middellange, licht omlaag gebogen snavel. In vlucht zijn witte zijvlakken van de stuit te zien boven een zwarte staart. De kemphaan is de enige weidevogel waarbij het uiterlijk van man en vrouw sterk verschillen. Man in winterkleed met bruin geschubde rug, grijsbruine kop en lichte tot witte buik en hals, zwarte snavel en geeloranje poten. Vlak voor de baltsperiode ondergaan de meeste mannen een gedaanteverwisseling. Er ontstaan een grote kraag en kuif die in kleur kunnen variëren van zwart, via bruin en oranje, tot wit. De patronen en kleuren van kraag en kuif vertonen grote verschillen tussen individuele mannetjes. De donkere snavel licht op tot oranje. De veel kleinere vrouwtjes blijven hele jaar onopvallend, licht- tot donkerbruin met zwarte snavel (soms lichtroze basis) en oranje poten.
Grootte: Man ca 30 cm, vrouw ca 24 cm.
Habitat: Broedt op toendra’s, hoogvenen en in moerassen en op vochtige, oneffen graslanden. Aanwezigheid van hogere delen is nodig voor de baltsplekken. 's Winters foerageren kemphanen op drassige of overstroomde weilanden, slikken en akkerland. In Afrika op rijstvelden.
Voorkomen: De kemphaan broedt van Noord-Duitsland en -Polen via Scandinavië tot in Oostelijk Siberië. Overwinteringsgebieden liggen in Afrika en langs de zuidelijke kusten van India en het Arabisch Schiereiland. In zachte winters wordt ook in West-Europa hier en daar overwintert. Nederland is één van de weinige landen waar broed- en overwinteringsgebieden overlappen. Al zijn de aantallen broedparen gedaald van 6000 in 1950 tot nog een tiental in de laatste jaren. Grootste kans om kemphanen te zien in Nederland is in maart en april en in juli en augustus in de Friese weilanden, waar ze in groepen foerageren en rusten. Deze groepen bestaan vooral uit hanen. De hennen kiezen voor een groot deel meer oostelijke trekroutes langs bijvoorbeeld Oekraïne.
Nest en voortplanting: De balts van de kemphaan gaat gepaard met spreekwoordelijk felle (schijn)gevechten op zogenaamde toernooivelden, arena’s of leks. Niet alle mannetjes leveren op dezelfde manier een aandeel in de gevechten. De mannen met de donkerste en bruine kragen zijn vaak de ‘honkmannen’ die ieder een vierkante meter territorium op de lek bezetten en deze ook fel verdedigen. Daaromheen en tussendoor scharrelen de ‘satellietmannen’ die een lichtgekleurde tot witte kraag hebben. Deze hanen bezetten niet zelf een honk en worden door de honkmannen geduld. Vrouwtjes paren in verhouding even vaak met een honkman als met een satellietman. Het derde type man is de ‘randman’ of ‘faar’. Deze mannen lijken meer op een hen dan op een haan en zitten er qua formaat ook tussenin. Slechts een klein aandeel van de mannen (hooguit 2%) is ‘faar’. De faren gedragen zich als hennen, staan honk- en satellietmannen ook paargedrag toe, maar paren zelf ondertussen onopgemerkt ook met vrouwtjes. Na de paring legt het vrouwtje vier eieren in een kuiltje in de grond. De hanen bemoeien zich niet met eieren en kuikens. De hen broedt zo’n 22 dagen. De jongen zijn nestvlieders en vliegen na bijna vier weken uit. Vlak daarvoor verlaat de hen de kuikens.
Geluid: Een heel stille vogel, af en toe een zacht gansachtig ‘ga-ga-ga’.
Voedsel: Insecten en insectenlarven, buiten broedseizoen ook wormen, slakjes en kreeftachtigen. In Afrika ook rijst en granen.
Familie: strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Harm Meijer, Annie Keizer, Roos Piek, Henk Postma, Herman Postma