Tureluur
Tureluur
Frysk: Tsjirk
Engels: Redshank
Duits: Rotschenkel
Tringa totanus
Uiterlijk: Een middelgrote steltloper. Van de vier hoofdsoorten van de weidevogels de kleinste. Kop en bovendelen bruin gevlekt en gestreept, in de winter valer. Buik en borst vaalwit en deels gestreept. Opvallende oranjerode poten, de middellange snavel is oranjerood met een zwarte eindpunt. In de vlucht vallen de witte wig op de rug en de brede witte vleugelrand op. Man en vrouw vrijwel gelijk, man iets donkerder en meer getekend. Jonge vogels met fletsere, oranjegele poten. De meest op de tureluur lijkende soort, vooral in de winter, is de zwarte ruiter. Die heeft echter geen witte achtervleugelrand en heeft alleen een rode ondersnavel, de bovensnavel is helemaal zwart.
Grootte: 25-30 centimeter.
Habitat: Broedt in weilanden en op kwelders en schorren. Heeft een voorkeur voor pollige graslanden, slootkanten en plasdrassen. Vaak in de buurt van kieviten die bescherming bieden tegen vliegende predatoren. ’s Winters hebben tureluurs een voorkeur voor getijdengebieden, maar ook ondiepe zoetwaterplassen kunnen voldoende voedsel leveren.
Voorkomen: Het broedgebied van de tureluur strekt zich uit van IJsland tot ver in Azië. In Nederland veel in Fryslân, Noord-Holland en Zeeland met een duidelijke hotspot in schorrengebied van het Verdronken land van Saeftinghe. De tureluur kent in Nederland drie ondersoorten; de in Nederland broedende vogels zijn van de ondersoort britannica, zij trekken gedurende de zomer en herfst merendeels weg naar Zuidwest Europa en Afrika, een deel blijft in Nederland of overwintert in Engeland. Tijdens de trekperiodes van juli tot september en van maart tot mei foerageert de ondersoort totanus langs de Waddenkust en de Zeeuwse wateren. De tureluurs die in Nederland overwinteren zijn vooral robusta’s, die met name in IJsland broeden.
Nest en voortplanting: Het nest van de tureluur is een meestal in lang gras verscholen kuiltje in de grond. Ouders vouwen bovendien het gras nog over het nest, waardoor de nesten voor weidevogelbeschermers lastig te vinden kunnen zijn. Tureluurs zijn gedurende het seizoen monogaam, koppels keren ook vaak bij elkaar terug, maar wisselen af en toe ook van partner. Legt vanaf april (tot ver in juni) vier eieren die een grote kleurvariatie kennen, maar binnen één legsel vrijwel identiek zijn. Jongen komen na ongeveer 24 dagen uit en zijn nestvlieders. Ze worden door beide ouders beschermd en geleid. Gezinnen kunnen opsplitsen waarbij iedere ouder een aantal jongen onder zijn/haar hoede neemt. Vliegvlug na ongeveer 24 dagen.
Geluid: De tureluur dankt zijn naam aan het geluid dat hij maakt ‘tuutetuu’ (Onomatopee). Ook vaak tweemaal ‘tuutuu’. Alarmroep een scheller en vaak herhaald ‘tuuk!’.
Voedsel: Wormen, insecten en spinnen, in de getijdengebieden ook wadslakjes, kreeftachtigen en kleine visjes.
Familie: strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Albert Wester, Olga ter Hart-Nijholt, Jappie Seinstra, Sjoukje Hamstra-Bouma