Buizerd
Buizerd
Frysk: Mûzebiter
Engels: Common buzzard
Duits: Mäusebussard
Buteo buteo
Uiterlijk: Forse roofvogel met een zeer variabel verenkleed, van bijna wit tot donkerbruin en alles wat daartussenin zit. Vaak met een contrasterende U op de borst (‘ambtsketting’). In de vlucht zijn de brede vleugels te zien en een korte brede staart, die meerdere donkere dwarsbanden en een donkere eindband heeft. De kop steekt niet ver voorbij de vleugels uit. Op de onderkant van de vleugels donkere polsvlekken. Geeloranje ogen, stevige gele poten en gele snavel met zwarte punt. Man en vrouw zelfde verenkleed, over het algemeen is het vrouwtje iets groter (zoals bij veel roofvogels). Juveniel met lichte iris en verticale strepen op de borst, donkere eindband op de staart ontbreekt bij juveniel. Te verwarren met ander roofvogels van ongeveer gelijke grootte als wespendief (heeft langere staart, een ‘duivenkop’ en is in winter niet aanwezig), havik (smalle, lange staart, eleganter) en ruigpootbuizerd (witte staart met donkere eindband, veren tot op de tenen, ’s zomers niet/spaarzaam aanwezig.
Grootte: 46-58 cm, spanwijdte 110-135 cm.
Habitat: Broedt zowel in open landschappen met opgaande elementen (houtwallen, losse bomen ed.) als in bebost gebied met open plekken. Steeds vaker ook in steden. Veel te zien op uitzichtposten, zoals hekken, verkeersborden en bomen, maar ook veelvuldig op de grond in weilanden.
Voorkomen: De buizerd is de algemeenste roofvogel van Europa, komt voor tot in West-Azië. De broedvogels van Scandinavië en Siberië trekken in het najaar naar West- en Zuid-Europa, ook wel door naar Afrika. Tijdens de trek soms in grote aantallen te zien, zwevend op thermiekbellen (opstijgende warme lucht), die hen helpen naar grote hoogten te klimmen zonder noemenswaardige inspanning. In Nederland een standvogel. In de jaren 70 van de vorige eeuw een schaarse broedvogel, maar na het verbod op gebruik van een aantal pesticidesoorten is de Nederlandse populatie gegroeid tot 11.000-20.000 broedparen in 2018-2020. In het westen en noorden van ons land nemen de aantallen nog altijd toe, al heeft de vogelgriep wel slachtoffers gemaakt. Wereldwijd worden de aantallen geschat op 2 tot 3½ miljoen individuen.
Nest: Buizerds broeden in grote nesten (doorsnede tot wel een meter) van takken en twijgen, die we ‘horst’ noemen. Dit nest wordt meestal in hoge bomen gebouwd, maar kan ook lager in struiken gebouwd worden of zelfs op de grond. Een horst wordt jaar op jaar gebruikt.
Voortplanting: Buizerds zijn vrij monogaam, man en vrouw blijven gedurende enkele seizoenen bij elkaar. Vanaf februari worden baltsvluchten uitgevoerd en wordt aan het nest gebouwd. In april of mei worden de twee of drie eieren (wittig met bruine onregelmatige vlekken) gelegd. Het broeden duurt ruim een maand. De jongen blijven wel zeven weken op het nest, eerst als donsjong, na drie weken begint het verenkleed te komen. Man levert de eerste drie weken voedsel aan dat door het vrouwtje wordt gevoerd, later brengen beide ouders prooien naar het nest. Jongen scharrelen na een week of zeven bij het nest vandaan, maar worden nog wel zes tot acht weken gevoerd, in dit stadium noemt men ze takkelingen. Jonge buizerds zijn pas na drie tot vier jaar geslachtsrijp.
Geluid: Een klaaglijk miauwend ‘mieeuuw’.
Voedsel: De buizerd is wat we een opportunist noemen; de vogel past zich aan aan het voedselaanbod. Voorkeur voor kleine zoogdieren, jonge vogels, grote insecten en aas. Jaagt vooral vanaf een niet te hoge zitplaats, kan ook bidden. In weilanden ook lopend op zoek naar mollen, muizen, wormen en grote insecten.
Familie: Havik-, arend- of sperwerachtigen (accipitridae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Herman Postma, Jappie Seinstra, Mark de Boer