Winterkoning
Winterkoning
Frysk: Tomke
Engels: Eurasian wren
Duits: Zaunkönig
Troglodytes troglodytes
Uiterlijk: Na de goudhaantjes en bladkoninkjes het kleinste vogeltje van Nederland. Valt vooral op door het omhoog staande staartje. Verenkleed bruin met fijne streepjes en stippels, bovendelen donkerder kaneelbruin, onderdelen lichter tot beige. Lichte wenkbrauwstreep. Lijfje ietwat bollig, zwarte ogen, spitse snavel en vleeskleurige fijne pootjes. Man en vrouw gelijk.
Grootte: Krap aan 10 cm, spanwijdte circa 17 cm, weegt slechts 10 gram.
Habitat: De winterkoning komt overal in Nederland voor waar voldoende schuilmogelijkheid te vinden is in dichte begroeiing, klimop, takkenbossen of houtopslag.
Voorkomen: Zeer algemene broedvogel in heel Europa. In Nederland het talrijkst onder de IJssel. In Fryslân vooral te vinden in de bossen en in het coulisselandschap. Steeds meer ook te vinden in de Noordelijke Kleischil door de ontwikkeling van ruilverkavelingsbosjes. Naar schatting ruim 600.000 broedparen in Nederland, aantal is stijgend, maar dalend in stedelijke gebieden.
Nest: Een kom- of bolvormig nest, vaak met ingang aan de zijkant. Mannetje maakt ongeveer zes nestjes van kleine takjes in boomholtes of klimop, maar ook in nisjes in een schuur of tussen bijvoorbeeld tuingereedschap dat buiten staat. Het vrouwtje kiest één nestje uit. Zij vult dat nestje op met zachte materialen als mos, dons en haren. Gebruikt soms speciale nestkast om te broeden, maar gebruikt die vaker om in te overnachten of in groepjes tijdens koude winters om warm te blijven.
Voortplanting: Na de bouw van verschillende nestjes zingt man winterkoning de hele dag door om een vrouwtje te lokken. Zij bepaalt welk nestje ze gaat gebruiken en legt daar 5-7 eitjes. De eitjes zijn bijzonder klein (1,2-1,5 cm) en wit met roodbruine vlekjes. Na twee weken broeden door het vrouwtje komen de jongen uit. Na een ruime week zijn ze al even groot als hun ouders. Na 15-18 dagen vliegen ze uit en worden dan nog ruim twee weken door beide ouders gevoerd. De helft van de mannetjes is monogaam, de andere helft probeert na een eerste vrouwtje ook andere vrouwtjes (1-3) naar zijn nestjes te lokken.
Geluid: De winterkoning zingt opvallend luid voor zo’n kleine vogel. Mannetje kan 90 decibel halen en is daarmee tot op 500 meter nog te horen. Zang is explosief, een serie van metaalachtige, scherpe noten, in combinatie met trillertjes. Contactroep een explosief ‘tjek!’, alarmroep een schel rateltje.
Voedsel: Eet allerlei kleine insectjes, spinnetjes en zaadjes. Vliegt daarvoor laag tussen struiken of scharrelt op de grond tussen bladeren. Voeren kan in de winter door onder struiken wat fijn voer te strooien, komt bij voorkeur niet op voedertafel.
Familie: Winterkoningen (Troglodytidae). Andere soorten winterkoning komen alleen in Noord-Amerika voor.
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Herman Postma, Wiebe Palstra