Steenuil

Steenuil

Frysk: Stienûle
Engels: Little owl
Duits: Steinkauz
Athene noctua

Uiterlijk: Veruit de kleinste van de in Nederland voorkomende uilen. Is zowel overdag als ’s nachts actief. Het bruine verenpak heeft allerlei witte vlekken, groter op de vleugels en rug en kleiner bovenop de kop. Bevederde poten. Onderkant staart lichtgekleurd. Lichte ‘wenkbrauwen’ boven heldergele ogen. Achterkant kop doet vanuit de verte denken aan een gezicht, door de witte V die vanaf de oren tot in de nek loopt en geflankeerd wordt door donkerdere bruine vlekken links en rechts. In zit een gedrongen postuur, maar bij alertheid hoog op de relatief lange poten staand.

Grootte: 21-23 cm, spanwijdte 54-58cm. Vrouw iets groter dan man.

Habitat: De steenuil heeft een sterk voorkeur voor een kleinschalig landschap met open plekken en opgaande elementen als struiken en bomen. Broedt vaak op boerenerven, wanneer daar voldoende biodiversiteit voorhanden is.

Voorkomen: Steenuilen zijn standvogels die leven in een brede strook in heel Eurazië, van de west- tot de oostkust en van Denemarken tot de noordkust van Afrika. Ook langs de randen van het Arabisch schiereiland. Tot 2005 nam het aantal steenuilen in Nederland snel af, veel broedlocaties werden verlaten. Sinds dat jaar is de populatie stabiel gebleven. Reden voor de afname is waarschijnlijk het verdwijnen van nestgelegenheid in vervallen schuurtjes en knotwilgen. Weinig broedparen in Fryslân en Groningen, de dichtheid neemt toe richting de grote rivieren, inclusief de IJssel.

Nest: Broedt in natuurlijke holtes in bomen en in hoeken en kieren in schuren. Soms in konijnenholen. Ook in speciale nestkasten met ‘voorportaal’. Het nest zelf stelt weinig voor, vaak alleen een bodempje van kapotgetrapte braakballen en wat veertjes.

Voortplanting: Man laat vanaf februari zijn baltsroep horen. Meestal één legsel per jaar tussen eind maart en juni. Af en toe een tweede leg. Vrouw broedt alleen, gedurende 24-28 dagen, de eieren uit, komt vrijwel niet van de eieren af. Na vier weken verlaten jongen vaak het nest, worden dan takkelingen genoemd. Ze kunnen pas vliegen na zeven tot acht weken en worden ook daarna nog een week of vijf gevoerd. Jongen zoeken in redelijke nabijheid een eigen territorium, maximaal zwerven ze enkele tientallen kilometers uit.

Geluid: Baltsroep is een laag en vol ‘koeoe-k. Alarmroep is een hoger ‘kieiek’. Verder ook andere roepen, vaak erg luidruchtig. 

Voedsel: De steenuil kent verschillende jachttechnieken. Speurt vanaf een uitkijkpost (één tot anderhalve meter hoog) omgeving af, rent of loopt op de grond of vliegt al jagend laag over. Veldmuizen zijn hoofdbestanddeel van voedsel, maar eet ook wormen, insecten, kikkers en jonge vogels.

Familie: Uilen (Strigidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Herman Postma, Wiebe Palstra