Houtsnip

Houtsnip

Frysk: Houtsnip (ook wel wâldsnip)
Engels: Woodcock
Duits: Waldschnepfe
Scolopax rusticola

Uiterlijk: Een forse, plompe snip ter grootte van een houtduif. Bijzonder lange, rechte snavel, maar korte poten. Grote ogen. Bovenzijde bruin-zwart-grijs gevlekt, wat een perfecte schutkleur geeft in afgevallen bladeren. Onderzijde lichter; grijs met fijne, bruine bandering. Witte onderkant staart. Op kop opvallende, lichtere, strepen overdwars (van oor naar oor). Dit onderscheidt de houtsnip van de (kleinere) watersnip, die kopstrepen heeft die van snavel naar nek lopen. Man en vrouw gelijk, binnen een half jaar krijgt ook juveniel dezelfde tekening.

Grootte: 33-35 cm, spanwijdte 56-60 cm

Habitat: Als één van de weinige steltlopersoorten, leeft de houtsnip in bossen. Deze snip broedt in grote bossen (tientallen hectares) met voldoende open plekken, niet te hoge ondergroei en een zachte, vochtige bodem bedekt met een rijke humuslaag. Buiten broedtijd ook te zien in kleinere bosjes, boomwallen en tuinen. ’s Nachts ook foeragerend in weilanden aan de bosrand.

Voorkomen: De houtsnip is een weinig opvallende vogel, die vooral ’s nachts actief is. Daardoor zijn tellingen lastig uit te voeren. Schattingen van Nederlandse broedparen lopen uiteen van 2000 tot 35000 paren. Die aantallen lijken, na een dip in de jaren negentig, weer toe te nemen. In de winter worden ‘onze’ houtsnippen aangevuld met circa 10.000 exemplaren uit Noord-Europa. De houtsnip broedt in een brede zone tussen Midden-Scandinavië en Midden-Frankrijk (noord-zuid) die zich uitstrekt van Engeland tot Japan (west-oost). Overwinteren gebeurt in een zone tussen Schotland en Noord Afrika van Engeland tot Korea, wereldwijd wordt de populatie geschat op 10 tot 26 miljoen vogels (2015). Tijdens de trek is de kans dat de houtsnip raamslachtoffer wordt best groot. De ogen van de houtsnip staan namelijk vrij ver achter aan de zijkant van het hoofd. Dat levert een goed 360°-beeld op, maar is ook de reden dat de houtsnip niet goed afstanden in kan schatten. De snip merkt obstakels daardoor laat op. Een boom is op het laatste moment nog wel te ontwijken, maar ontwijken van een breed gebouw is dan moeilijk. Ze vliegen nog snel richting het raam, dat een uitweg lijkt te bieden, met een botsing als gevolg. 

Nest: De houtsnip is een grondbroeder met een nest onder vegetatie tegen een boomstam of struik. 

Voortplanting: Het mannetje voert baltsvluchten uit vlak boven de boomkruinen en lokt daarmee vaak meerdere vrouwtjes. De man speelt geen rol in het grootkrijgen van de jongen. Van eind maart tot eind juli worden (meestal) vier eieren gelegd die het vrouwtje uitbroedt. Vervolglegsels zijn mogelijk. Broedduur 21 tot 24 dagen. Kuikens verlaten direct het nest (nestvlieders) en zijn na circa een maand vliegvlug, ook daarna verzorgd het vrouwtje de jongen nog een tijd.

Geluid: Een stille vogel, de man is alleen te horen tijdens baltsvluchten, maakt dan een korrend/kwakend (als kikker) geluid, afgewisseld met schelle, korte piepen (als niezen).

Voedsel: Boort met lange snavel in zachte bodems naar insecten, slakken, bloedzuigers, spinnen en regenwormen. Verdroging van bossen is hierdoor een bedreiging voor de houtsnip.

Familie: Strandlopers en snippen (scolopacidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra