Pestvogel

Pestvogel

Frysk: Sidesturt
Engels: Bohemian waxwing
Duits: Seidenschwanz
Bombycilla garrulus

Uiterlijk: Gedrongen vogel ter grootte van een spreeuw met opvallende kuif. Buik, rug en kop in tinten bruin, beige en roze. Zwart masker en zwarte keelvlek, buitenste vleugelhelften en staart. Opvallende gele uiteinden van staart- en vleugelveren zorgen tezamen met witte en wasachtige, rode vleugelvlekken (vandaar de Engelse naam) voor de onmiskenbare tekening. Voorhoofd en onderstaart rood-roestbruin. Man en vrouw lijken veel op elkaar, maar bij vrouw is de tekening minder uitgesproken aanwezig.

Grootte: 18-21 cm

Habitat: Broedt in de naaldbossen van noordelijk Scandinavië en Siberië. ’s Winters in sommige jaren in Nederland te zien op besdragende struiken, bijvoorbeeld in parken en tuinen.

Voorkomen: Broedt van Noord-Zweden tot aan het oosten van Rusland en zelfs de noordkust van de Stille Oceaan. Trekt over dat brede front naar het zuiden (tot België, Servië, Turkmenistan, Mongolië en Japan aan toe) als de bessen in het broedgebied tekortschieten. Dat verklaart waarom de pestvogel niet iedere winter in Nederland te zien is, terwijl er in andere jaren grote groepen het land bezoeken. Daarom noemen we de pestvogel een invasiesoort. De Nederlandse naam heeft de vogel te danken aan het plotseling opduiken in sommige winters, waardoor men dacht dat de vogel de pest meevoerde. Een ondersoort van de bij ons bekende pestvogel (Bombycilla garrulus pallidiceps) leeft in Canada en Noord-Amerika waar ook de cederpestvogel (de cedar waxwing – Bombycilla cedrorum) voorkomt.

Nest: Man en vrouw maken samen een komvormig nest van twijgen bekleedt met mos, gras en veertjes in berken of naaldbomen, hoogte van de nestplaats tussen één en zes meter. Nestelt in een los groepsverband.

Voortplanting: Legt vanaf eind mei meestal vijf (3-7) blauwgevlekte eieren. Na het grootbrengen van het eerste legsel kan een tweede legsel begonnen worden (tot in juli). Vrouw broedt ongeveer twee weken, het mannetje voert haar in die tijd. Beide ouders voeren de kuikens, na twee weken verlaten de jongen het nest, maar ze worden dan nog enige tijd gevoerd.

Geluid: Een hoog, soms bijna snerpend, rinkelend belletje, ook zacht gekwetter.

Voedsel: Leeft in de zomer van insecten die in de vlucht gevangen worden, kuikens worden ook met insecten grootgebracht. In de winter wordt overgestapt op bessen, vruchten (b.v. appels), noten en zaden. Bessen van Gelderse Roos, lijsterbes en meidoorn zijn favoriet. 

Familie: Pestvogels (bombycillidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto: Willy Dikkers