Krakeend
Krakeend
Frysk: Eastein
Engels: Gadwall
Duits: Schnatterente
Mareca strepera (voorheen anas)
Uiterlijk: Iets kleiner en slanker dan de wilde eend. Man in broedkleed van afstand egaal grijs lijkend, maar met fijngetekende details, vooral op de borst. Beigebruine kop, soms met lichtere wang en grijzere bovenkant, waardoor de kop tweekleurig oogt. Bruine, opvallend lange schouderveren. Zwart achterlijf en witte ‘spiegel’ (vlak aan de boven-achterzijde van de vleugel). Grijszwarte, smalle snavel en gele poten. Man lijkt in overgangskleed (eclipskleed) veel op vrouw; een verenkleed in verschillende tinten bruin. Vrouw lijkt veel op vrouw wilde eend, maar met witte in plaats van blauwe spiegel en oranje zijkanten aan de snavel.
Grootte: 50 cm, spanwijdte 84-95 cm.
Habitat: De krakeend broedt in hogere oeverbegroeiing langs meren, sloten en kanalen. Heeft een voorkeur voor een zoetwateromgeving met laaggelegen landerijen, traagstromend water en kruidenrijke vegetatie. Buiten broedperiode ook te vinden bij brak water en zelfs op droogvallende wadplaten.
Voorkomen: Het gaat bijzonder goed met de krakeend in Nederland. Aantallen zijn sinds de jaren negentig verviervoudigd naar nu ruim 30.000 broedparen en meer dan 125.000 doortrekkers. Ook in de rest van het broedgebied breiden de aantallen zich uit. Dat broedgebied strekt zich uit over vrijwel de hele wereld in een band over de gematigde zones boven de evenaar. Noord-Europese populaties trekken in de herfst naar het zuiden, tot aan Noord-Afrika. Het is nog niet duidelijk waarom de krakeend het veel beter doet dan de wilde eend. Gedacht wordt aan verschillen als de latere broedperiode, het meer verborgen opgroeien van de kuikens en het meer plantaardige dieet. Duidelijk is dat het verschil vooral zit in de kuikenoverleving.
Nest: De krakeend is net als andere eenden een grondbroeder. Maakt een diepe, ronde kom goed verstopt in hogere begroeiing en bekleedt die met gras, strootjes en dons.
Voortplanting: Begint pas laat met broeden, in mei, juni of juli. Eén legsel met 8 tot 12 crèmekleurige (soms lichtgroene) eieren. Vrouwtje broedt ongeveer 25 dagen. Kuikens verlaten direct het nest (nestvlieders), maar vrouwtje houdt ze goed verstopt, waardoor ze weinig gezien worden. Vliegvlug na 6 tot 7 weken.
Geluid: Vrouw kwaakt en snatert, maar zachter dan wilde eend. Het korte, diepe ‘kràk’ (of ‘è’) van de man heeft de soort haar naam gegeven, tijdens balts ook een hoog ‘fieh-fieh’.
Voedsel: De krakeend is een grondeleend (steekt kop in water, waarbij achterlijf recht omhoog steekt) en is vooral een planteneter, menu wordt aangevuld met slakjes en insecten.
Familie: Eenden (Anatidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto: Herman Postma