Groene specht

Groene specht

Frysk: Griene spjocht
Engels: Green woodpecker
Duits: Grünspecht
Picus viridis

Uiterlijk: Een forse, maar schuwe specht met een niet te verwarren uiterlijk. Rug en nek zijn olijfgroen, net als de vleugels die alleen aan de uiteinden zwart met wit zijn. De stuit is geelgroen en borst en buik zijn licht grijsgroen. De kop heeft van voorhoofd tot nek een vuurrode kap, het gezicht is tot de oorstreek zwart met opvallende grijswitte ogen met zwarte pupil. Het enige verschil tussen de beide geslachten is de kleur van de snorstreek. Bij de vrouwtjes is deze geheel zwart, de mannen hebben in dit zwart een rode streep. De rechte snavel is fors en grijzig van kleur. De jongen hebben al dezelfde kleurstelling als de volwassen exemplaren, maar zijn volledig bespikkeld met donkere en lichte vlekken. De groene specht heeft net als de andere spechten twee naar voren gerichte tenen aan beide poten en twee naar achteren gericht. Samen met de stugge staart geeft dit voldoende grip en steun om zich tegen een boomstam vast te kunnen klemmen.

Grootte: 30-36 cm, spanwijdte circa 40-52 cm.

Habitat: Vogel met duidelijke voorkeur voor parkachtige landschappen. Open loofbos met grasachtige open plekken, tuinen, parken, duingebied. Heeft oudere bomen nodig, broedt in Noord-Nederland in populieren en wilgen.

Voorkomen: Komt voor in heel Europa met uitzondering van het Iberisch schiereiland, Ierland, Finland en het noorden van Zweden en Noorwegen. In Nederland lang een vogel van duin- en bosgebieden op zandgronden, maar door het verdwijnen van het wijd open landschap, nu ook aanwezig in de noordelijke kleischil. De soort neemt sinds 1990 flink toe in Nederland, teller staat op ruim 10.000 broedparen. Is een typische standvogel, strenge winters met veel vorst eisen vele slachtoffers.

Nest: De groene specht gebruikt vaak een boomholte van andere spechten, hakt ook zelf holtes uit van 15 tot 40 cm in zacht, oud hout. Is niet zo sterk als andere spechtensoorten. Mannetje kan tot een maand bezig zijn met het uithakken van een nestholte. 

Voortplanting: Vanaf december begint man met baltsroep. Gedurende de wintermaanden gaat baltsen door, paren worden in maart gevormd. Na bezetten of creëren van een nestholte legt vrouwtje vijf tot acht witte eieren. De eieren worden twee weken bebroed. Jongen vliegen na drie tot vier weken uit. Gezinnen blijven daarna nog tot wel zeven weken bij elkaar. Juvenielen zoeken in de buurt (tot maximaal 30 kilometer) nieuwe territoria. Het juvenielkleed verdwijnt halverwege het eerste najaar. Jonge vogels zijn dan direct geslachtsrijp.

Geluid: Duidelijke lachende spechtenroep; herhaling van kjuu-kjuu-kjuu. Zachte, onregelmatige roffel, veel minder vaak dan andere grote spechtensoorten.

Voedsel: Scharrelt op de grond rond mierennesten. Door het verdwijnen van rode mieren schakelt de specht over naar de wegmieren, wat mede de verandering in voorkomen kan verklaren. Met hun 10 centimeter lange tong (die achterlangs de schedel oprolt in rust) wordt in mierennesten geprikt. Het uiteinde van de tong is hard en heeft weerhaakjes, de rest van de tong is kleverig wat het een ideaal instrument maakt om mieren en hun larven naar binnen te werken. Kent de locatie van de mierennesten in het territorium en keert geregeld naar de zelfde nesten terug. Ook onder sneeuw wordt uit die nesten gegeten. Alleen door vorst verharde grond vormt een niet te nemen obstakel voor de groene specht. Zo wordt de stijgende lijn in de aantalsontwikkeling onderbroken door de strengere winters rondom 2010.

Familie: Spechten (picidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto: Wiebe Palstra, Herman Postma