Waterhoen
Waterhoen
Frysk: Reidhintsje
Engels: Common moorhen
Duits: Teichhuhn
Gallinula chloropus
Uiterlijk: Donkergekleurde, schuwe watervogel. Lijf is zwartbruin met een witte onderbroken lijn op de flank en witte zijkanten van de onderstaart. Bij zwemmen en lopen beweegt de kop van voor naar achter en is de staart omhooggericht, waardoor die witte onderkanten zichtbaar zijn. Snavel is rood, loopt op in een rode bles en heeft een gele punt. Groengele poten met klein rood bandje net boven enkelgewricht. Geen zwemvliezen. Met hun gele poten met bijzonder lange tenen kunnen waterhoenen over waterplanten en modderige ondergronden lopen. Jonge kuikens zijn zwart met een rode snavel, boven op de kop zijn ze kaal, waardoor daar de rozerode huid te zien is. Grotere jongen zijn vaalbruin, zonder opvallende kenmerken. Zij krijgen pas na de winter het volwassenkleed.
Grootte: 33 cm
Habitat: Het waterhoen houdt zich het hele jaar op nabij zoet water. Broedt bij meren, plassen, rivieren, vijvers en sloten, zolang er een dichte oevervegetatie is. Zowel in het buitengebied als in stedelijke omgevingen. In koude winters worden meer open wateren opgezocht, die nog niet dichtgevroren zijn. Waterhoenen komen daar samen, maar vormen geen grote groepen zoals meerkoeten dat doen.
Voorkomen: Algemene, maar schuwe standvogel die in heel Europa voorkomt, behalve in het uiterste Noorden en in te droge gebieden. Hoogste dichtheden komen voor in West-Nederland.
Nest: Het waterhoen bouwt een komvormig nest van plantaardig materiaal in dichte vegetatie, is deze op de waterlijn niet aanwezig dan worden wel eens struikjes opgezocht.
Voortplanting: Vanaf maart beginnen de mannetjes te baltsen, waarbij ze trompetachtige geluiden laten horen. Man en vrouw broeden samen de vijf tot elf gevlekte eieren uit. Na ongeveer drie weken komen de kuikens uit het ei, het duurt dan nog zeven weken voor ze kunnen vliegen. Waterhoentjes kunnen tot drie legsels per jaar hebben, waarbij de jongen uit eerdere legsels meehelpen met het verzorgen van de nieuwe kuikens.
Geluid: Zeer gevarieerd. Een herhaald kuu-kuu-kuu, kittik of zacht kroeoe
Voedsel: Het waterhoen is een omnivoor en eet dus naast waterplanten en gras ook insecten, spinnen, kikkervisjes en soms zelfs eieren van andere vogels. Bij voederplekken in de tuin wordt in de winter ook wel de vetbolhouder (hangend in een boom) bezocht. Het kost het waterhoentje vrij veel moeite om daarop te balanceren, de juvenielen blijven dan ook beneden en scharrelen de kruimels op.
Familie: Rallen (rallidae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Albert Wester, Wiebe Palstra, Herman Postma