Drieteenstrandloper

Drieteenstrandloper

Frysk: Sângril
Engels: Sanderling
Duits: Sanderling
Calidris alba

Uiterlijk: Kleine, gedrongen en druk aandoende steltloper. Qua formaat tussen bonte strandloper en kanoet in. Bij ons in winter aanwezig en dan opvallend wit voorkomen. Lichtst getint van de strandlopersoorten. Borst en buik wit, bovendelen zijn in winterkleed grijs met een opvallende donkere vlek op voorvleugels. In broedkleed zijn de bovendelen en borst oranjerood en bruin getint, met een sterke variatie per individu. Stevige, diepzwarte snavel (die korter is dan van bonte strandloper) en poten. Mist als enige strandloper de achterteen, wat de Nederlandse naam verklaart. Juveniel is grijs-wit, met geschubde rug en in beginmaanden met beige gloed op borst. In vlucht duidelijke witte vleugelstrepen middenin op de verder donkere vleugels en witte vlekken aan beide zijden van de donkere stuit.

Grootte: 20-21 cm, spanwijdte 35-39 cm.

Habitat: De drieteenstrandloper broedt langs meertjes met korte vegetatie op de Arctische toendra. Buiten de broedtijd vooral te vinden op zandstranden langs de kust, steeds meer ook op zandige wadplaten.

Voorkomen: Broedgebied in hele arctische gebied van Canada en Groenland tot ver in arctisch Rusland. Canadese broedvogels overwinteren in Zuid-Amerika tot aan het zuidpuntje van Argentinië. Vogels van Groenland en Spitsbergen trekken naar de Europese kuststreken, maar vliegen soms door tot in Zuid-Afrika. Russische vogels vliegen via de oostkust en China naar Oceanië. Van augustus tot mei te vinden op de stranden van de hele Nederlandse Noordzeekust. Foerageert daar in kleine groepjes. Op afgelegen delen als de Vliehors en Griend ook in grote groepen te zien. Tot 2015 namen de getelde aantallen in Nederland toe tot 12.000-16.000, sindsdien wordt langs de hele trekroute een stabilisatie gezien. Wereldwijd circa 700.000 individuen.

Nest: Een ondiep kuiltje op een open plek in de kale grond. Vaak iets bekleed met (korst)mos.

Voortplanting: Balts begint direct na aankomst in broedgebied. Tijdens broedseizoen monogaam. Soms broeden man en vrouw samen de 4, soms 3 eieren uit. Vaker nemen man en vrouw ieder een legsel onder hun hoede. Het broeden duurt 24 tot 32 dagen. Kuikens zijn nestvlieders, zijn na ongeveer 17 dagen vliegvlug en worden dan door de ouders alleen gelaten.

Geluid: Zwijgzaam, bij opvliegen een kort hoog ‘tsjwiek-tsjwiek’.

Voedsel: Eet allerlei ongewervelden; schelpdieren, wormen, insecten en kleine krabbetjes en garnalen. ’s Zomers ook plantaardig voedsel. Rent met de golven op en nar langs de waterlijn en pikt en boort in het zand naar voedsel. 

Familie: strandlopers en snippen (Scolopacidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Willy Dikkers, Herman Postma