Ekster

Ekster

Frysk: Ekster
Engels: Black-billed magpie
Duits: Elster
Pica pica

Uiterlijk: De ekster is eenvoudig te herkennen aan een, op het eerste gezicht, zwart-wit verenpak. Zwarte delen hebben bij nadere beschouwing een metaalglans waardoor met name vleugels en staart blauw, groen of paars kunnen oplichten. Zwarte kop, keel en rug. Witte buik en schouders. Vleugels zwart, alleen vleugeluiteinden (hand) aan onderkant wit. Stevige, zwarte snavel en poten. Lange, zwarte staart die de grond eigenlijk nooit raakt. Man en vrouw vrijwel identiek, man iets groter. Jongen na uitvliegen ook identiek, maar nog zonder metaalglans.

Grootte: 40-50 cm (incl. staart van 20-30 cm), spanwijdte 80-100 cm.

Habitat: Komt in veel verschillende biotopen voor, mijdt alleen kale vlaktes en dichte bossen. Vaak in menselijke omgevingen.

Voorkomen: In heel Europa en groot deel van Azië is de ekster een algemeen voorkomende soort. In Nederland steeds minder te zien op de hoge zandgronden, waarschijnlijk door predatie en concurrentie van havik, raaf en zwarte kraai. In stedelijk gebied snel toenemend. Sinds 1995 stabiel in aantallen. In meeste gebieden een standvogel die vaak binnen een straal van 30 kilometer rondom het nest verblijft. Alleen uiterst noordelijk broedende vogels trekken wat naar het zuiden als de winter te streng wordt.

Nest: Meestal vlot te herkennen. Grote bouwwerken (35 tot 75 cm in doorsnee) met  verborgen ingang en ‘dak’ dat ervoor zorgt dat de bontgekleurde jongen vanuit de lucht niet zichtbaar zijn voor predatoren. Met takken en takjes bouwen man en vrouw samen vaak meerdere nesten in de vork van een hoge boom en versterken het met klei, aarde en dunne plantenwortels, Slechts één wordt uitgekozen.

Voortplanting: Over het algemeen monogaam. Koppel begint in januari met bouwen van nesten. Man baltst door kopveren op te zetten en staart uit te waaieren. In april wordt dagelijks een ei gelegd tot broedsels van vijf tot acht (soms tien) vrij kleine eieren. Vaak lichtblauwgroen met bruine of grijze vlekjes, maar er is veel variatie. Vrouwtje broedt drie weken. Kuikens zijn kaal en blind bij geboorte. Na ruime week groeien de veren en openen de ogen. Twee weken later klauteren jongen in de boom rond (takkelingen). Na ca. 27 dagen kunnen de jongen vliegen. Gezinsverband blijft hele zomer in stand. Jonge eksters kunnen in groepen (jeugdbendes) voorkomen en zijn meestal na drie jaar geslachtsrijp.

Geluid: Variatie aan schorre, krassende geluiden. Schettert, maar kan ook zingend andere vogels imiteren.

Voedsel: Een echte omnivoor. Wandelt in kleine groepjes over de grond om kevers, emelten, regenwormen, muizen, aas en afval, maar ook graan, bessen en noten te zoeken. Hipt zijwaarts als iets van belang wordt gezien. Voert aan de jongen ook eitjes en kuikens van andere vogelsoorten. Legt soms een wintervoorraad aan. Is erg nieuwsgierig en neemt ‘nieuwe’ voorwerpen soms mee naar het nest om het beter te leren kennen.

Familie: Kraaien (Corvidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Henk Dikkers