Veldleeuwerik

Veldleeuwerik

Frysk: Ljurk
Engels: Sky lark
Duits:Feldlerche
Alauda arvensis

Uiterlijk: De veldleeuwerik heeft een lichtbruin verenkleed met op borst en bovendeel donkere streepjes. Buik is vuilwit. Kan een korte, stompe kuif opzetten. Korte, stevige snavel. In vlucht vallen witte achterrand van de vleugels en witte, buitenste staartpennen en staartzoom op. Juveniel heeft schubtekening op de veren en een minder ontwikkelde kuif. Binnen  open gebieden te verwarren met de graspieper (piipljurk), die kleiner is, met een langere staart en een dunnere snavel en de kuif mist. Daarnaast is de zang anders. Ook te verwarren met andere leeuweriksoorten, zoals de ook in Nederland broedende boomleeuwerik. De boomleeuwerik heeft een kortere staart zonder wit, een kleiner kuifje en meer opvallende wenkbrauwstrepen die elkaar achter op de kop raken. 

Grootte: 17-19 cm

Habitat: Broedt in open weide- en bouwlandgebieden en in heide- en duingebieden. Buiten de broedtijd veel op stoppel- en braakland.

Voorkomen: Is algemeen in heel Europa, Noord-Afrika en delen van Azië. Een deel van de Nederlandse broedvogels trekken in het najaar naar Frankrijk en Engeland en worden vervangen door veldleeuweriken uit Scandinavië. Geïntroduceerd in Nieuw-Zeeland en Zuidoostelijk Australië. Tot in de jaren 1970 was de veldleeuwerik met bijna 750.000 broedparen de meest verspreid voorkomende vogel in Nederland. Sinds die tijd is meer dan 90% van de populatie verdwenen. 

Nest: Is een grondbroeder. Maakt een kuiltje diep verscholen tussen gras, graan of hei.

Voortplanting: Al in februari worden de koppeltjes gevormd. De man bakent territorium af met de bekende zangvluchten waarbij hij jubelend opklimt naar hoogtes tot wel 100 meter. Van eind maart tot in juli worden er twee tot drie legsels met 3 tot 5 eitjes gelegd. Het vrouwtje broedt per legsel twee weken, waarna de jongen ongeveer acht dagen op het nest gevoerd worden. Na verlaten van het nest wordt het voeren nog een ruime week volgehouden. Nog voor de eerdere jongen onafhankelijk zijn, worden er alweer nieuwe eieren gelegd, in een nieuw nest.

Geluid: Zang is jubelend en trillend en wordt heel lang aangehouden. Verder een helder ‘truu-truu’ als roep.

Voedsel: Eet tijdens broedperiode vooral insecten, voert ook de jongen daarmee. In winter granen en zaden.

Familie: Leeuweriken (Alaudidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Wiebe Palstra, Willy Dikkers