Zwartkop

Zwartkop

Frysk: Nettelkrûper
Engels: Eurasian blackcap
Duits: Mönchsgrasmücke
Sylvia atricapilla

Uiterlijk: De zwartkop is een middelgrote zangvogel (formaat koolmees, maar slanker) met een donkergrijze bovenzijde en een olijfgrijze onderzijde. Keel en onderstaartdekveren lichter van kleur. Snavel en poten zijn leigrijs. Vrouwtjes en jongen meer bruinige tinten dan grijze. Het mannetje is te herkennen aan het zwarte petje, terwijl deze bij het vrouwtje en jonge vogels roodbruin is. Bij jonge mannetjes in hun eerste winter kan de kopkap al zwart zijn of nog roodbruin of zwart met bruine vlekken. 

Meestal eerder te horen dan te zien, is minder beweeglijk dan andere zangvogelsoorten.

Grootte: 13-15 cm, spanwijdte 20-23 cm, gewicht 15-22 gram

Habitat: Broedt in loof- en gemengd bos en parkachtig landschap met oudere bomen en ondergroei. 

Voorkomen: Komt in vrijwel geheel Europa voor, ook in West-Azië en Noordwest Afrika. Door uitbreiding, verruiging en veroudering van bossen en houtopslag (denk aan de volwassen geworden ruilverkavelingsbosjes in onze provincie) gaat het sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw goed met de soort. Inmiddels zijn de Nederlandse aantallen al met ruim 400% gestegen, tot zo’n 300.000 broedparen, en de trend lijkt zich door te zetten. Oorspronkelijk een soort van hoge zandgronden met bos, zoals Gaasterland en Zuidoost Fryslân, tegenwoordig in de hele provincie te vinden. Trekvogel die van maart tot mei in Nederland terugkomt en van september tot november weer naar wintergebieden rond de Middellandse Zee of in het Verenigd Koninkrijk en Ierland vertrekt.

Nest: Bouwt een komvormig nest laag in struikgewas, jonge bomen of klimplanten. Nest is vaak rommelig en fragiel.

Voortplanting: Mannetje zingt vanaf half maart tot ver in juli om vrouwtjes te lokken en zijn territorium af te bakenen. Beide geslachten zijn betrokken bij de nestbouw, al doet het vrouwtje het grootste deel van het werk. Vrouw legt twee tot zeven eieren en broedt die in circa twee weken uit. Jongen blijven 11, 12 dagen op het nest en worden na uitvliegen nog twee tot drie weken gevoerd. Vaak volgt dan een tweede legsel.

Geluid: Melodieus met op het einde van de gevarieerde zangloopjes kenmerkende heldere, luide tonen. Alarmroep herhaaldelijk ‘tjèè-uk, tjèè-uk’. Contactroep ‘tik-tik’ als kiezelsteentjes (lijkend op roep van braamsluiper).

Voedsel: Eet tijdens broedperiode vooral insecten, voert ook de jongen daarmee. Buiten broedperiode bessen en vruchten

Familie: Zangers (Sylviidae)

Tekst: Inge van der Zee, foto's: Herman Postma