Koolmees
Koolmees
Frysk: Blokmies / blokfink
Engels: Great tit
Duits: Kohlmeise
Parus major
Uiterlijk: De waarschijnlijk bekendste tuinvogel is te herkennen aan de gele borst en buik met zwarte ‘stropdas’ en de zwarte kop met witte wangen. Rug olijfgroen, staart en vleugels zijn blauwgrijs, witte vleugelstreep. Redelijk stevige, zwarte snavel en donkere pootjes. In vlucht van andere mezen te onderscheiden doordat de buitenste staartpennen wit zijn, wat bij geen andere mezensoort het geval is. Onderscheid tussen man en vrouw zit vooral in de kleurintensiteit en de breedte van de ‘stropdas’. Juveniel is valer en ontwikkelt pas in het najaar een echt zwarte band op borst en buik. Mogelijk te verwarren met zwarte mees, die kleiner is, niet geel en een witte nekvlek heeft of met pimpelmees, die een blauw petje heeft en kleiner is .
Grootte: 13-15 cm, spanwijdte 22-25 cm, gewicht circa 17 gram.
Habitat: Bosrijke en parkachtige omgevingen, ook in bebouwd gebied met voldoende groen en kunstmatige nestgelegenheid.
Voorkomen: Talrijk in Europa en centraal Azië. De Nederlandse koolmezen zijn standvogels. Hun aantal neemt gestaag toe, mogelijk door het uitblijven van strenge winters, in combinatie met een uitbreiding van parkachtig landschap in voorheen open gebied. In het najaar trekken koolmezen uit Noord- en Oost-Europa naar en door Nederland. Najaarstrek gebeurt massaal in grote groepen tussen half september en half november, met een piek halverwege oktober. Winteraantallen nemen gestaag af, mogelijk brengen koolmezen meer en meer de steeds zachter wordende winters door in Noord-Duitsland en Denemarken.
Nest: Broedt van nature in boomholtes, gebruikt ook veelvuldig nestkastjes en toegankelijke schuurtjes. Vrouwtje bouwt daarin een nest dat bestaat uit bladeren, twijgjes, mos, haren, veren en wol. Gebruik van hondenhaar waar anti-vlooienmiddel op zit, leidt waarschijnlijk tot sterfte onder de jongen.
Voortplanting: Gemiddeld beginnen Nederlandse koolmezen op 17 april met hun eileg. Mannetje begint op zachte lentedagen in maart te zingen om een partner aan te trekken. Vrouw legt zeven tot vijftien eieren en begint pas te broeden als het legsel compleet is. Man voert vrouwtje tijdens het broeden en verdedigd het territorium. Na twee weken komen de vaalwitte eieren met roestbruine vlekjes uit. Beide ouders voeren de kuikens en voeren de ontlasting, die in een speciaal ‘zakje’ zit, af, om predatoren af te leiden. De jonge koolmezen vliegen na 18 tot 21 dagen uit en worden dan nog twee tot drie weken gevoerd.
Geluid: Ritmische zang met veel variaties. Het meest bekend zijn het ‘fietspompje’ tietuu, tietuu, tietuu en de drie-tonige variant tietietuuu, tietietuu, tietietuu.
Voedsel: Eet tijdens broedperiode vooral insecten, voert ook de jongen daarmee. Verder ook plantaardig voedsel als zaden, noten en bessen. Is in de winter goed bij te voeren met vetbollen en strooivoer. Zorg in de lenteperiode ook voor voer met insecten.
Familie: Echte mezen (paridae)
Tekst: Inge van der Zee, foto's: Jappie Seinstra, Wiebe Palstra, Herman Postma